|
Inhoud
D66: 'De leerling centraal, niet het systeem'
Samenvatting notitie
Een visie voor velen
De visie van het Praedinius Gymnasium
Een visie is noodzaak
De leerling serieus nemen
VMBO; Basis voor het arbeidsmarktbeleid in Groningen
Oude wijn in nieuwe zakken
Privatisering Hoger Onderwijs
D66: 'De leerling centraal, niet het systeem'
Fractie wil geen uniform Junior College, maar wel een ongedeeld VMBO
Kortgeleden presenteerde het College van Burgemeester en Wethouders de nota 'een visie om te delen' over de toekomst van het Voortgezet Onderwijs. Daarin wordt een groot aantal problemen in het voortgezet onderwijs uiteengezet. De nota presenteert ook direct de totaaloplossing: het Junior College. Het Junior College houdt leerlingen van alle niveau's na de basisschool nog twee jaar bij elkaar. Volgens D66-fractievoorzitter Thomas van Dalen is dat niet de oplossing. D66 vindt dat de leerling centraal gesteld moet worden en niet het systeem.
Het puntenplan volgt uit een grote gespreksronde die D66 de afgelopen maanden hield. De fractie voerde tientallen gesprekken met deskundigen, bestuurders en gebruikers van het voortgezet onderwijs in deze stad. Naar aanleiding van deze gespreksronde presenteert de fractie het onderstaande 10 puntenplan voor een beter voortgezet onderwijs in de stad Groningen.
D66 vindt dat wethouder Pattje zich moet bepalen tot het VMBO. Het door 60% van de Nederlandse leerlingenpopulatie bezochte onderwijstype wordt geteisterd door problemen. De instroom daalt in rap tempo en de uitval is enorm. Het opleggen van het Junior College aan alle scholen, kan echter niet de oplossing zijn.
10 punten voor de toekomst van het Voortgezet Onderwijs
1. Concentreer de aandacht op het VMBO. Daar zijn de problemen het grootst. Het heeft geen zin om kleine en grote problemen in het onderwijs op een hoop te vegen en te zoeken naar 1 totaaloplossing.
2. Het Junior College is niet geschikt als uniform model. Het is niet de oplossing voor alle problemen. Het heeft geen zin om het als een blauwdruk voor alle scholen te presenteren.
3. Ga uit van de individuele leerling en niet van de groep. Veel leerlingen hebben na de basisschool juist behoefte aan selectie naar niveau. Daarom nog eens: Junior Colleges in de hele stad: geen goed idee.
4. Blijf af van het categorale gymnasium. Het gymnasium is een succesvol schooltype dat zichzelf heeft bewezen. Voor een groep kinderen is dit de beste school.
5. Doe in plaats daarvan het volgende. Ontwikkel samen met alle scholen plannen voor een ongedeeld VMBO. Staar je niet blind op fysieke integratie van alle leerwegen. Inhoudelijke integratie en afstemming is ook van groot belang.
6. Werk bottum-up. Ga uit van de eigen identiteit van scholen en respecteer het onderscheid tussen bijzonder en openbaar onderwijs. Dwing geen fusies tussen scholen af, maar verleid scholen tot verregaande vormen van samenwerking (denk aan de Vensterschool!).
7. Durf fors te investeren in het VMBO. 60% van onze leerlingen bezoekt het VMBO. Zorg voor goede materiële voorwaarden voor het VMBO. Dit schooltype is in ons land verwaarloosd. Investeren in gebouwen is noodzaak.
8. Overtuig partners van het belang van kleinschaligheid in het onderwijs en van een eigen identiteit. Op een school met minder dan 600 leerlingen voelen leerlingen zich nog thuis. Groter moet een eenheid eigenlijk niet zijn.
9. Neem intensivering van de samenwerking tussen VMBO en MBO als uitgangspunt. Een betere afstemming zal leiden tot minder uitval. Er moet een samenhangend en flexibel netwerk ontstaan. Gebruik de ervaring en de ambitie van de ROC's.
10. Bestudeer het succes van AOC-Terra (onder andere De Groene School in Winsum) en trek daaruit conclusies (goede faciliteiten, kleinschaligheid, mooie omgeving, brede keuzemogelijkheden).
De D66-fractie levert met deze tien punten een eerste bijdrage aan de discussie over de toekomst van het Voortgezet Onderwijs in Groningen.
Thomas van Dalen
Een visie om te delen
Samenvatting van de notitie " een visie om te delen".
Onlangs heeft Wethouder Pattje een notitie met een nieuwe kijk op het voortgezet onderwijs het licht doen zien. Voornamelijk de introductie van het Junior College deed veel stof opwaaien. Deze plannen zullen onderwerp zijn van de onderwijsavond op 26 mei. Ik zal daarom voor de mensen die niet de hele nota willen lezen trachten een korte samenvatting te geven van de visie.
Wethouder Pattje stelt in het begin van de nota vrij helder dat hij geen nieuwe vorm van onderwijs, geen nieuw vakkenpakket of selectiemethodes gaat introduceren. Hij wil op zoek naar een visie op voortgezet onderwijs binnen de bestaande kaders van de wet,- en regelgeving. Maar waarom een nieuwe visie? Hij wil een nieuwe visie ontwikkelen om een aantal problemen die al een tijdje spelen op te lossen.
Wat zijn nu deze problemen?
Een eerste cluster problemen heeft te maken met de aansluiting tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Deze is niet optimaal. Weliswaar is het geen heel zwaar probleem, maar een betere aansluiting kan voor een aanzienlijke verbetering in het onderwijs zorgen. De overgang van een vaak kleine school met veel individuele aandacht naar een grote school voor voortgezet onderwijs zorgt voor problemen bij de zwakkere leerlingen maar ook bij minder zwakke leerlingen. In het basisonderwijs bestaat tegenwoordig een goede zorgstructuur die niet goed doorloopt in het voortgezet onderwijs. Dit probleem met de zorgstructuur speelt meer bij het VMBO en LWOO (Leerweg Ondersteunend Onderwijs) dan bij HAVO en VWO.
Volgens de nota komt ook het selectiemoment te vroeg voor de meeste leerlingen. Namelijk op het moment dat ze al de grootste veranderingen ondergaan. Daarbij speelt mee dat er een selectie plaatsvindt die bepalend is voor hun verdere schoolcarrière.
De positie van het VMBO is uiterst zorgelijk. Hier ligt een tweede cluster van problemen aan ten grondslag. In Nederland bestaat voornamelijk een algemeen vormend voortgezet onderwijssysteem. Dit type onderwijs heeft de hoogste status en dus ook aantrekkingskracht. Theoretische vakken zijn een belangrijke rol gaan spelen, ook leerlingen die de theorie beter uit de praktijk leren moeten de theoretische vakken doen. Doordat dit niet aansluit bij de leercapaciteit van een deel van de leerlingen is er veel demotivatie en schooluitval.
Groningen kent veel smalle VMBO-scholen, scholen zonder de theoretische leerweg. Deze smalle scholen bieden de beroepsgerichte leerweg aan en hebben te kampen met een slecht imago. Door een gebrek aan goede huisvesting en middelen en een zwakke instroom lukt het deze scholen niet een aantrekkelijk leerklimaat te scheppen. Ouders kiezen niet voor deze scholen vanuit positieve overwegingen maar zien het als "restonderwijs". Vaak wordt gekozen voor de scholen die de theoretische leerwegen bieden (de oude MAVO) en samen met de HAVO en het VWO een scholengemeenschap vormen.
Het beroepsgerichte VMBO heeft geprobeerd door differentiatie meer aan te sluiten op de arbeidsmarkt, dit heeft echter geleid tot een grote versnippering over de stad. Dit brengt financiële problemen met zich mee doordat veel afdelingen te weinig leerlingen hebben. De levensvatbaarheid komt daardoor in het gedrang.
Een derde knelpunt in het voortgezet onderwijs is het functioneren van het Studiehuis. Het studiehuis, in de bovenbouw van HAVO en VWO, probeert leerlingen te stimuleren tot het actief en zelfstandig leren. Dit is in de startfase onvoldoende gelukt, door een te groot aantal vakken en te weinig voorbereidingsmogelijkheden van leerlingen en docenten. Bovendien is er te weinig aandacht voor toekomstoriëntatie. Veel leerlingen die het studiehuis verlaten en doorstuderen raken teleurgesteld doordat ze erachter komen eigenlijk een verkeerde studiekeuze gemaakt te hebben.
Een nieuw probleem kan ontstaan door de uitbreiding van het aantal profielen en keuzemogelijkheden. Schaalvergroting van de studiehuizen is noodzakelijk want, met de grote diversiteit aan leerroutes, kan niet gegarandeerd worden dat op elke school, alle leerroutes, ongeacht het aantal deelnemers, kan worden aangeboden.
Een algemeen probleem zit hem in het hoge ziekteverzuim in het onderwijs. Er wordt in de nota verondersteld dat er iets mis is met de arbeidsmotivatie; de status van leraren is gedaald, het loon is laag en je moet iedere dag lastige pubers in het gareel houden. Aan het aantal ziekmeldingen kan de gemeente niet veel doen, wel aan de achterliggende oorzaken.
Tot zover de geschetste problemen. Er zijn op schoolniveau natuurlijk al pogingen gedaan om deze problemen aan te pakken. Dit is echter niet gelukt. Daarom hoopt de wethouder de problemen aan te kunnen pakken op in ieder geval schoolbestuurniveau (alle scholen die gezamenlijk onder een bestuur vallen), maar liefst op een grotere schaal. Bijkomend voordeel is dat er flink geïnvesteerd zal moeten worden in gebouwen, in sluitende zorgsystemen en pedagogische concepten.
Het Junior College
Als oplossing voor de geschetste problemen introduceert de wethouder het Junior College. Deze staat voor een afgebakende en veilige leeromgeving voor 12-14 jarigen waar aandacht is voor de leerlingen en hun verschillende leerstijlen. Tegelijkertijd zullen dan de verworvenheden van de Vensterschool uitgebreid worden naar de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Leerlingen die zich tussen de "groteren" vaak klein en kwetsbaar voelen hebben op deze wijze hun "eigen" fysieke leeromgeving met leeftijdsgenoten.
Op het Junior College proberen ze de overgang van het basisonderwijs naar voortgezet onderwijs zo soepel mogelijk te laten verlopen en de selectie zo lang mogelijk uit te stellen omdat jongeren zich in deze fase nog flink ontwikkelen. De bedoeling is dat de leerling hier leert waar hij goed in is en de mogelijkheid krijgt daarin te excelleren. Ook zal er ruimte voor sport en (jongeren)cultuur zijn.
De sociale contacten tussen leerlingen worden als zeer belangrijk gezien en daarom kiest de wethouder ook voor het bij elkaar plaatsen van alle leerlingen, van de voormalige VBO-, tot de VWO-leerlingen.
De aansluiting bij het Vensterschoolconcept bestaat uit het voortbouwen op de zorgstructuur van de Vensterschool. Ook de naschoolse activiteiten en de intensievere oudercontacten van de Vensterschool
zullen worden voortgezet in het Junior College, natuurlijk aangepast aan de leeftijd van de kinderen.
Hoe gaat het dan met de bovenbouw?
De overgang van het Junior College naar de bovenbouw moet natuurlijk wel soepel verlopen. De leerlingen hebben keuze uit twee algemene routes. De eerste route is via het VMBO naar het MBO (de beroepskolom). En de tweede is via HAVO/VWO naar HBO en Universiteit.
De beroepsgerichte route kan op twee verschillende manieren vorm krijgen. De eerste is het creëren van een inhoudelijke en pedagogische doorlopende lijn tussen het Junior College en leerjaar 3 en 4 van het VMBO.
De andere optie is een doorlopende lijn creëren tussen de bovenbouw van het VMBO en het MBO. In de bovenbouw van het VMBO zal dan de invloed van het MBO al duidelijk zichtbaar moeten zijn.
Beide varianten zullen uitgevoerd worden, de praktijk zal dan uitwijzen welke variant het beste werkt. In beide gevallen moet de betrokkenheid van het MBO bij het VMBO vergroot worden. De samenwerking met het MBO ontbreekt nu vooral op algemeen vormende scholen die de theoretische leerweg aanbieden. Dit terwijl het overgrote merendeel van die leerlingen wel op het MBO terechtkomt.
Joris van den Wittenboer
Een visie voor velen
In de nota van onderwijs wethouder Pattje staan twee thema's centraal. Het Junior College en de problemen in het VMBO. Meteen bij eerste lezing vallen de vele slordigheden, onjuistheden en onnauwkeurigheden in de nota op. Alsof hij inderhaast door meerdere opstellers geschreven is, die niet de tijd genomen hebben voor een integrale visie.
Ik zal de tekortkomingen hier niet allemaal uitlichten. Dit artikel zou blijven steken in een technische opsomming van cijfers en feiten. Willen de aangehaalde cijfers enige zeggingskracht hebben, dan is meer detaillering nodig. Ter onderbouwing één voorbeeld. Het hoge uitvalpercentage in het MBO wordt genoemd als een belangrijke reden om deze nota te schrijven. Er wordt geschermd met een verder niet verantwoord percentage van 30%. Om de ernst en de oorzaak van dit probleem te achterhalen wordt een aantal essentiële vragen niet gesteld. Waar komen deze uitvallende leerlingen vandaan? Van de Havo, de Mavo of het VBO? Op welk niveau in het MBO lopen ze vervolgens vast (het MBO kent vier niveaus)? Het huidige VMBO is mede vormgegeven om aan deze problematiek het hoofd te bieden. Is de opzet van het VMBO dus mislukt? Ik zou het niet weten. De wethouder evenmin; de eerste examens van het nieuwe VMBO worden op dit moment afgenomen……
De argumenten om te komen tot een Junior College zijn uiterst mager. De praktische invulling wordt, bewust, erg vaag gehouden. Wordt het een tweejarige middenschool, waar alle leerlingen, ongeacht niveau en kwaliteit, dezelfde lessen volgen? Duidelijkheid wordt er niet gegeven. Een Junior College zou leerlingen in de leeftijd van 12 tot en met 14 jaar een veilige omgeving bieden. Weet de wethouder dan niet, dat de veiligheid van een school niet geboden wordt door het instituut of door de leeftijd van de in dat instituut aanwezige leerlingen, maar door het pedagogisch-didactische klimaat, de schoolcultuur zeg maar. Alle argumenten voor een Junior College kunnen met evenveel geldigheid worden omgedraaid. Het contact met oudere leerlingen wordt als onveilig gezien. Evengoed kan gesteld worden, dat het voor jonge leerlingen goed is een "role model" in de bovenbouw te hebben. En wat te denken van de inzet van oudere leerlingen als mediator bij pesten of huiswerkhulp, zoals bij talloze projecten in den lande met succes wordt toegepast. Bovendien weet iedere docent uit de praktijk, dat het pesten in leerjaar 1 en 2 van het Voortgezet Onderwijs het heftigst is! Wat te denken van de breuk in de gewenste doorlopende leerlijn, wanneer een deel van de leerlingen na twee jaar moet verkassen naar een ander gebouw, vijftien jaar oud midden in de puberteit.
De problemen in het VMBO zijn er, laat daar geen misverstand over bestaan. In het huidige VMBO zijn de oude schoolsoorten Mavo en VBO opgegaan. Een van de redenen voor de operatie was het slechte imago van het VBO en het feit dat veel leerlingen afkomstig van de Mavo in het vervolgonderwijs toch doorstroomden naar het MBO. Het VMBO zou dus de logische verbinding
moeten zijn tussen het Primair Onderwijs en het Beroepsonderwijs, het hart van de "beroepskolom". Het VMBO als de "koninklijke weg" naar het MBO. Aangezien het VMBO een breed scala van leerlingen moet bedienen zijn er vier leerwegen: de theoretische (TL = het oude Mavo), de Gemengde (GL), de Kader Beroepsgerichte (KB) en de Basis Beroepsgerichte (BB). Idealiter zouden deze vier leerwegen aangeboden moeten worden onder één dak, het ongedeelde VMBO. Een wenkend en gewenst perspectief. De praktijk is echter weerbarstiger.
Het slechte imago van het oude VBO had allerlei oorzaken, waaronder de vaak slechte staat van de gebouwen, een "verkleuring" van de leerlingenpopulatie , maar evenzeer de maatschappelijke onderwaardering van technische beroepen. Het mag duidelijk zijn dat een sterk, ongedeeld en modern gehuisvest VMBO hierop een goed antwoord kan zijn. Een veilige en krachtige leeromgeving, waarbinnen de leerlingen op het juiste niveau door goede docenten worden uitgedaagd. Niets is beter voor de succesbeleving van de leerling en de ontwikkeling van jonge mensen. Opvallend is de nog altijd slechte huisvesting van de praktijk gerichte leerwegen. Het huidige lerarentekort komt hier extra hard aan. Hierdoor wordt het negatieve imago nog altijd in stand gehouden.
Het imago van het VMBO moet beter, laat er geen twijfel over bestaan. De hamvraag is langs welke weg? Uitgangspunt daarbij horen de beweegredenen van ouders te zijn. Wat beweegt ouders en leerlingen bij hun schoolkeuze. Je mag er van uit gaan, dat elke ouder het beste onderwijs voor zijn eigen kind wil. Ouders zijn meer en meer zelfbewuste onderwijsconsumenten geworden, die een bewuste keuze maken. Tegenwoordig worden totaal andere keuzes gemaakt dan vroeger. Zo raakt denominatie hierbij meer en meer op de achtergrond. Ouders kiezen voor een kwalitatief aansprekende school met een goed pedagogisch-didactisch klimaat, waarin hun kind zich uitgedaagd weet en de kans krijgt zich te ontwikkelen. Opvallend is dat momenteel veel ouders van kinderen met een VMBO-T advies kiezen voor een smallere scholengemeenschap (VMBO-T / Havo / VWO). Een landelijke trend. Als politicus kun je dit niet leuk of zelfs ongewenst vinden, het blijft een gegeven. Op dit punt is de burger niet "maakbaar", evenmin als de samenleving. Ouders kiezen die school, die bij hun kind past en niet die de overheid voorschrijft.
Juist nu de keuze op grond van denominatie naar de achtergrond verdwijnt is het in dit verband goed te weten hoe de andere speler in het onderwijsveld, het bijzonder onderwijs, op de hierboven gesignaleerde ontwikkelingen reageert. Tot nu toe houdt het bijzonder onderwijs in Groningen vast aan een gedeeld VMBO, waarbij de TL-poot verbonden is aan Havo / VWO. Ik schat in dat ze voorlopig vasthouden aan deze optie.
Een sterk ongedeeld VMBO is zondermeer een goed einddoel. Maar dit zal zich moeten bewijzen. Niet door, zoals in de nota wordt voorgesteld, te sleutelen aan leerlingstromen, maar door visie te tonen en groots te investeren, bij voorkeur samen met het bijzonder onderwijs, in de praktijkkant van het VMBO. Zorg ervoor dat het VMBO naadloos aansluit op het MBO (beroepskolom). Huisvest het in een prachtig, ruim, veilig en goed geoutilleerd gebouw, waar leerlingen, leraren en ouders trots op kunnen zijn en laat het zich bewijzen als de koninklijke route naar het MBO. Kies een locatie, die uitbreiding toestaat tot een campus. Na een aantal jaren, veranderingen in het onderwijs hebben nu eenmaal tijd nodig, zullen ook de VMBO-T leerlingen wel gek zij deze route niet kiezen! Als vanzelfsprekend kan het ongedeelde VMBO onder één dak. Er zijn in het land voldoende voorbeelden dat het zo werkt. Schoolkeuzes worden niet meer door de overheid gestuurd, laat staan afgedwongen. Ze zullen zich moeten bewijzen! En dat is maar goed ook. Alleen op deze manier wordt een visie om te (ver)delen, een visie voor velen!
Paul Valk is oud afdelings-voorzitter van D66 en onderwijsdeskundige
Het Praedinius Gymnasium en "Een visie om te delen"
B. Arends
Het is goed, dat er gediscussieerd wordt over het onderwijs. Over het onderwijs in het algemeen en wat ons betreft over het voortgezet onderwijs in de stad Groningen in het bijzonder. Dat de wethouder van onderwijs een discussiestuk gepubliceerd heeft, waarin hij zijn visie op het voortgezet onderwijs in onze gemeente geeft, verdient wat ons betreft waardering. Wat wij betreuren is het feit, dat wat een discussiestuk heet, de indruk wekt een blauwdruk voor een nieuwe inrichting van het voortgezet onderwijs te zijn.
In de nota "Een visie om te delen" wordt een aantal problemen op een rijtje gezet waarmee het voortgezet onderwijs te kampen heeft. Als grootste probleem worden de leegloop en het slecht functioneren van het VMBO genoemd. Dit is niet een specifiek Gronings, maar een landelijk probleem. Daarnaast wordt nog een aantal andere problemen opgesomd. Zonder verdere analyse of onderbouwing van deze problemen, ook zonder een nadere uitleg van eventuele samenhang in de problematiek, wordt vervolgens een model gepresenteerd dat een oplossing voor alle problemen tezamen moet bieden. Dit is het model van het juniorcollege.
Dat het VMBO-onderwijs inderdaad met grote problemen kampt, onderschrijven wij volledig. Het aanpakken van deze problemen heeft ook wat ons betreft de hoogste prioriteit. Met de oplossing die de wethouder presenteert hebben wij evenwel heel veel moeite. Om te beginnen wordt niet duidelijk waarom het juniorcollege de VMBO-problemen afdoende kan oplossen. In de tweede plaats ontbreekt een afweging van de bestaande problemen en de problemen die ontstaan bij de introductie van het junior-college-model.
Om het wat ons betreft grootste probleem te noemen: in dit model is geen plaats voor een categoraal gymnasium. Het is ondoenlijk om leerlingen alleen in het studiehuis een volwaardige gymnasiumopleiding te bieden. Een van de grote voordelen van - eigenlijk een voorwaarde voor - ons huidige model: de ononderbroken leerlijn van klas 1 t/m klas 6 zou verdwijnen. Onze ervaring leert dat de meeste leerlingen die wij in de brugklas hebben meer dan toe zijn aan de uitdaging die op het gymnasium geboden wordt. Zij zijn vaak allang "uitgeleerd" op de basisschool. En dat is in ruimere zin onze kritiek op de visie van de wethouder: zijn model biedt heel weinig keuzeruimte. De grote variëteit die het openbaar voortgezet onderwijs op dit moment te bieden heeft, zou verdwijnen.
Nogmaals, een grondige analyse van de sterke en de zwakke kanten van het openbare voortgezet onderwijs ontbreekt. Alleen zwakke kanten worden genoemd en slechts in het algemeen. Wat onze school en ook andere scholen nu aan goeds te bieden hebben, wordt niet genoemd en kennelijk als niet van belang beschouwd. Met andere woorden: wij delen de visie van de wethouder niet.
Mw. B. Arends, is rector van het Preadinius Gymnasium
Een visie is noodzaak
Dirk Dijkstra
De discussienota 'een visie om te delen' is geschreven om een aantal knelpunten in het voortgezet onderwijs in Groningen op te lossen. Het lijkt erop dat de genoemde punten allemaal even zwaar wegen. Het grootste probleem is echter het voorbereidend beroepsonderwijs (vmbo). Ten onrechte richt de discussie zich op de juniorcolleges terwijl de positie van het vmbo in Groningen om oplossingen schreeuwt. Oplossingen die alleen mogelijk zijn als de krachten gebundeld worden. Minimaal is samenwerking tussen verschillende scholen noodzakelijk. In veel plaatsen in Nederland zijn dergelijke processen al enkele jaren geleden gestart om te voorkomen dat het aanbod zodanig verschraalt dat het vmbo-onderwijs nog sterker restonderwijs wordt.
Hoe ziet het VO anno 2003 eruit? Vereenvoudigd kan het volgende gesteld worden. Na de basisschool komen de leerlingen in de eerste fase, de onderbouw. Het programma basisvorming heeft de bedoeling in twee jaren duidelijk te maken welke opleiding het beste bij het kind past. In enkele gevallen is dat in groep 8 van de basisschool al duidelijk, bij veel kinderen zijn de eerste twee brugjaren noodzakelijk om een goede keus te maken. Veel ouders kiezen dan ook voor scholen waarin na de eerste twee jaren alle opties mogelijk zijn. Daarna kan sinds enkele jaren gezegd worden dat er twee routes zijn in de tweede fase: een route naar het hoger onderwijs (HBO en WO) en een route naar het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). De eerste route, waar landelijk 40% van de leerlingen heen gaat, is het havo en vwo. Sinds 1998 wordt daar volgens de profielenstructuur vormgegeven aan het studiehuis. De tweede route, voor 60% van de leerlingen, is sinds 1999 het vmbo. Waar vroeger het mavo en vbo toegang verleenden aan de opleidingen van het mbo is deze taak nu weggelegd voor het vmbo volgens de nieuwe structuur van leerwegen .
Het grootste knelpunt dat zich de laatste jaren openbaart in het VO is de afname van het aantal leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo. Het negatieve imago zou door de komst van de theoretische leerweg opgekrikt moeten worden. Scholen hebben er echter vaak voor gekozen om deze leerweg te plaatsen in de locatie van het studiehuis. Inhoudelijk levert dat de volgende problemen op. Je hebt voldoende leerlingen nodig om goede beroepsgerichte programma's te kunnen ontwikkelen. De leegloop die nu al jaren geconstateerd wordt, ondermijnt elke vooruitgang en doet onrecht aan de verplichting om goed onderwijs te verzorgen voor een grote groep leerlingen. Om te voorkomen dat er sprake is van restonderwijs met het bekende negatieve imago, dient er voor gezorgd te worden dat de leerlingenpopulatie evenwichtig van opbouw is. Hieronder wordt verstaan niet alleen de zwakste leerlingen maar ook de leerlingen die zich op de hogere niveaus in het mbo richten. De neergang van het vmbo levert ontmoedigde docententeams op die moeilijk enthousiast te maken zijn voor vernieuwingen. De conclusie is dat alleen ongedeeld vmbo (dus alle leerwegen) binnen één locatie kansen biedt om goede aansluitingsprogramma's te ontwikkelen.
Een ander knelpunt is de slechte aansluiting van het vmbo op het mbo met een grote uitval tot gevolg. Leerlingen worden nauwelijks voorbereid op wat hen te wachten staat na met name de theoretische leerweg. Scholen waar de theoretische leerweg in het studiehuis geplaatst is (in Groningen ¾ van de scholen) richten zich op de doorstroom naar de havo terwijl slechts 10% van de leerlingen die keus maakt. De overige 90% kiest voor opleidingen binnen het MBO zonder zich daar goed op georiënteerd te hebben. De oriëntatie beperkt zich meestal tot een advies vanuit de school en een bezoek aan open dagen. Op dit punt valt veel te verbeteren en daar liggen dus grote kansen. Gedacht moet worden aan activiteiten in het rooster waarbij leerlingen daadwerkelijk kennismaken met de sectoren in het mbo. Optimaal zou zijn dat leerlingen delen van het lesprogramma in het mbo volgen. Dergelijke trajecten bestaan al op beperkte schaal. Speciale docententeams kunnen zich volledig richten op deze groep leerlingen en ook expertise ontwikkelen van de vele mogelijkheden in het mbo. Natuurlijk blijft het mogelijk om binnen de theoretische leerweg ook aansluitingsprogramma's voor het havo te realiseren.
Zo lang de theoretische leerweg in Groningen bij de meeste scholen ondergebracht is bij het studiehuis, zal het vmbo in Groningen het moeilijk hebben en verder verschralen. Concurrentieoverwegingen tussen scholen zijn er de belangrijkste oorzaak van dat de scholen onderling niet tot oplossingen gekomen zijn. Een stedelijke regie is dan ook noodzakelijk.
Dat de driedeling in het VO (basisvorming, studiehuis en vmbo) grotere scholen tot gevolg gehad heeft is bekend. Alleen al de vier profielen in het studiehuis havo en vwo, met een nader in te vullen vrij deel, vereisen minimaal 100 leerlingen per leerjaar om te voorkomen dat scholen om organisatorische redenen besluiten vakken niet aan te bieden. Leerlingen mogen echter niet in de massa verdwijnen. De overgang voor een 12-jarige om van een basisschool van 200 leerlingen te gaan naar een school met 2000 leerlingen is heel groot. Daarom hebben scholen verschillende vormen gekozen om zich kleinschalig te organiseren. Keuzes voor units binnen gebouwen of campusachtige bouwprojecten kunnen overal in ons land waargenomen worden. Het Zernike College heeft de mogelijkheid gehad om de eerste fase VO in kleinere locaties te huisvesten. De naam juniorcollege past uitstekend bij deze keus. Zonder al op 11-jarige leeftijd voor een schoolsoort te moeten kiezen, kunnen de leerlingen gezamenlijk naar een locatie waar ze twee jaar (vmbo) of drie jaar (havo en vwo) onderwijs volgen. Dat ouders en leerlingen daarbij kiezen tussen homogenere groeperingsvormen (Zuidlaren en Haren) en heterogene (Montessori in Helpman) ontzenuwt het misverstand dat een juniorcollege een soort middenschool zou zijn. Een juniorcollege biedt een uitstekende mogelijkheid om de massaliteit te beperken en een schoolcultuur te ontwikkelen die past bij de specifieke leeftijdgroep van 12- tot 15-jarigen.
Onderwijs is een kostbare en belangrijke voorziening. In een tijd van steeds verder gaande deregulering en een zich terugtrekkende overheid kunnen scholen zich autonoom ontwikkelen. Dat levert zonder twijfel kwaliteitsverbetering op. Als echter bepaalde vormen van onderwijs, die minder tot de verbeelding spreken maar wel in onze maatschappij hard noodzakelijk zijn, dreigen te verdwijnen, dient ook het stadsbestuur een visie te ontwikkelen. Dat daarbij ongedeeld vmbo een sleutelbegrip is moge duidelijk zijn.
Dirk Dijkstra is rector van het Zernike College
De leerling serieus nemen….!!!
Ate Harsta
In maart verscheen de notitie "Een visie om te delen" van Wicher Pattje waarin hij een aantal knelpunten signaleert binnen het (Groninger) onderwijs en deze vervolgens voorziet van mogelijke oplossingen. Deze notitie kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Al vijf jaar werd op verschillende niveaus gepraat over de steeds grotere problemen rond het VMBO. Het bleek echter een illusie te denken dat scholen en besturen onderling oplossingen voor deze problemen konden vinden omdat de eigen (markt)positie de discussies steeds verstikte. Ik waardeer dan ook dat Wicher Pattje als lokaal bestuurder de verantwoordelijkheid neemt om de politiek, de scholen en de besturen gezamenlijk, en nu dwingender, na te laten denken over oplossingen voor de knelpunten.
In deze bijdrage zal het Junior College niet uitvoerig besproken worden. Het Reitdiep College deelt de visie dat de aansluiting tussen het BO en het VO verder verbeterd kan worden, maar constateert dat de noodzakelijke doorlopende lijnen in zorgstructuur bij de invoering van Junior Colleges dan extra "geknipt" worden op een school waar ieder jaar de ene helft van de leerlingen nieuw binnenkomt en de andere helft weer vertrekt. Wij willen juist graag verantwoordelijkheid nemen voor de leerlingen van jaar één t/m het examen, daar waar mogelijk met meereizende docententeams.
Voor ons is de positie van het VMBO het knelpunt dat op korte termijn om een oplossing vraagt. Ook in Groningen is het imago van de beroepsgerichte leerwegen (het vroegere VBO) binnen het VMBO slecht en ouders proberen op allerlei manieren de scholen die deze leerwegen aanbieden te mijden. Zij proberen de leerlingen aan te melden op de theoretische leerweg (de vroegere MAVO) die in veel gevallen gekoppeld is aan een HAVO/VWO-school. Dat dit in veel gevallen een slechte keuze is geweest blijkt uit de groeiende instroom in de derde klas van de beroepsgerichte leerwegen. Ironisch in dit verband is dat 95% van de leerlingen die een diploma theoretische leerweg halen toch doorstromen naar het MBO.
Het Reitdiep College is dan ook voorstander van een Breed VMBO waar alle leerwegen worden aangeboden die uiteindelijk leiden tot doorstroming naar het MBO. Binnen dit brede VMBO kun je laten zien dat je leerlingen serieus neemt door ze programma's aan te bieden die rekening houden met de verschillende leerstijlen van leerlingen, waar leerlingen actief en zelfstandig kunnen werken en die de leerlingen een brede oriëntatie geven op het beroepenveld. Uitgangspunt hierbij is voor ons dat het VMBO niet opleidt voor een beroep, dat laten we over aan het MBO. Wij wijzen dan ook het werken binnen smalle afdelingen af en kiezen voor intrasectorale programma's die wat ons betreft nog breder mogen worden dan ze nu al zijn.
Opvallend is dat de huidige VMBO-scholen gebruik moeten maken van gebouwen die de slechtste zijn de stad. Dat je deze groep leerlingen serieus neemt moet naast het aanbieden van aantrekkelijke programma's volgens ons ook blijken uit de huisvesting in een modern gebouw dat als een jas om de leerlingen heen zit.
Het Reitdiep College vindt nauwe samenwerking met het MBO noodzakelijk. De school heeft met het MBO een speciaal programma ontwikkeld, het Reitdiep Project, dat voor de VMBO-leerlingen een uitstekende oriëntatie biedt op alle sectoren van het MBO en wil de doorstroming van de leerlingen verder verbeteren door het gebruik van portfolio uit te breiden.
In de notitie van de wethouder missen we aandacht voor de LWOO-leerlingen. Wij vinden dat geprobeerd moet worden een deel van de leerlingen die nu opgevangen worden op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs onder te brengen binnen de reguliere leerwegen. Dit vereist een verdere ontwikkeling van de zorgstructuren en een goede samenwerking binnen de samenwerkingsverbanden waar alle VMBO-scholen deel van uit maken.
Kan het VMBO nog gered worden?
Wij denken van wel, het moet toch mogelijk zijn voor 60% van de leerlingen in het VO een aantrekkelijk aanbod te creëren. Aan welke voorwaarden moeten we dan voldoen? Volgens ons is koppeling van de theoretische leerweg aan de beroepsgerichte leerwegen van cruciaal belang. Deze koppelingsoperatie kan alleen dan succesvol verlopen als alle scholen en alle besturen bereid zijn mee te doen. De politiek kan en moet daarbij een belangrijke rol spelen. Uiteraard zijn wij bereid onze standpunten nader toe te lichten.
Ate Harsta is Rector van het Reitdiep College
VMBO; basis van het arbeidsmarktbeleid in Groningen
Fleur Gräper - van Koolwijk
De afgelopen jaren is al veel geïnvesteerd in het onderwijs. Kleinere klassen, meer leraren, daar ligt de nadruk op. Maar zijn dat de belangrijkste knelpunten in het onderwijs? Het overgrote deel, meer dan 60%, van leerlingen in het voortgezet onderwijs volgen het VMBO (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). Dit type onderwijs bereidt zijn leerlingen in de eerste plaats voor op het MBO (middelbaar beroepsonderwijs). Echter een groot deel van de leerlingen zal het MBO nooit halen. Vele haken zelfs af voor hun examen en verlaten vroegtijdig de school. Gebrek aan aansluiting bij hun belevingswereld, het sterk theoretische karakter van de lessen en het slechte perspectief op een baan na het diploma zijn hiervoor de oorzaken. Investeren in onderwijs is dus meer dan alleen zorgen voor genoeg leraren. Investeren in onderwijs is ook ervoor zorgen dat VMBO onderwijs een volwaardige startkwalificatie op de arbeidsmarkt wordt. Waarbij opleiding aansluit bij de praktijk. Duaal leren (werken en leren) kan leerlingen langer bij de opleiding betrokken houden en de kans op een diploma vergroten.
Het lage opleidingsniveau in Groningen is een van de oorzaken van de hoge werkloosheid. Met name voor economisch zwakke regio's (zoals Groningen) zijn de gevaren van (de huidige) neerwaartse economische ontwikkeling het grootst. De laag opgeleiden zijn vaak de eerste die buiten de boot vallen als het minder gaat. Daarnaast is de afstand tot bij- en omscholingstrajecten voor deze groep vaak te groot. Het gevolg is dat het perspectief voor deze groep op de lange termijn alleen maar zal verminderen. Het voltooien van een praktijkgerichte opleiding is dus een basis randvoorwaarde voor een succesvol arbeidsmarktbeleid.
Maar naast het grote percentage uitvallers kent het VMBO/MBO in Groningen nog een probleem. Als gevolg van de trend om tot steeds grotere en efficientere scholen te komen is er een paar jaar geleden gekozen voor een spreidingsbeleid van de diverse disciplines binnen het VMBO/MBO. Door dit spreidingsbeleid is de afstand tussen school en arbeidsmarkt alleen maar groter geworden. Zo heeft Stadskanaal een MTS (middelbare technische school) gekregen, maar ligt het overgrote deel van het technische werk in de omgeving van Hoogezand - Sappemeer. Wanneer je als zoon van een agrariër in het Oldambt (en daar zijn er veel van) een agrarische opleiding wilt volgen, moet je naar Winsum waar de Groene School gevestigd is. Het is dus belangrijk voor een goed arbeidsmarktbeleid dat er weer toegewerkt gaat worden naar kleinere scholen. Hierdoor kunnen opleidingen weer op meerdere plekken in de provincie een plek krijgen en krijgt betere aansluiting een kans.
Kortom, investeren in onderwijs is één. Investeren in het behouden van leerlingen op school is een ander verhaal. Goede praktijkgerichte lessen, aansluiting bij de praktijk van het bedrijfsleven en opleidingen op meerdere plekken in de provincie zijn hiervoor randvoorwaarden. Alleen door daar aandacht voor te hebben maakt het arbeidsmarktbeleid van de provincie een kans.
Fleur Gräper - van Koolwijk is D66 fractievoorzitter in de Provinciale Staten van Groningen
JUNIORCOLLEGE
Het verhaal van oude wijn in nieuwe zakken
Cees van der Veur
Het gaat niet goed in onderwijs Nederland. D66 wist dat al langer en stelde in haar verkiezingsprogramma dat er veel,heel veel extra geld naar onderwijs toe zou moeten. Een mooie gedachte. Veel is er ,wanneer ik het regeerakkoord lees ,niet van terecht gekomen. Het geld dat we extra binnen hebben gehaald laten we vervolgens door een CDA minister uitgeven.
Ik kan daar niet vrolijk van worden, Maar dat was ik toch al niet wanneer ik lees en hoor wat er in Den Haag allemaal gaat gebeuren.
Sociaal en liberaal het lijkt ver weg.
Veel vrienden uit de Zich Sociaal Noemende Partij van de Arbeid verwijten mij dat dan ook.
Veel weerwoord heb ik niet, maar gelukkig hebben ze bij deze partij altijd nog de wethouder van onderwijs en deze zorgt dan weer voor voldoende munitie om mij in de gelegenheid te stellen om terug te schieten.
De man komt aan met het juniorcollege als oplossing voor de problemen in het VMBO onderwijs.
De middenschool, maar dan anders, is volgens dit plan de oplossing. Na de basisschool gewoon nog twee jaar bij elkaar.Niet erg sociaal voor veel leerlingen. Ieder kind heeft recht op onderwijs dat past bij de mogelijkheden van die leerling.
In het voorstel van het juniorcollege worden leerlingen die goed kunnen leren tekort gedaan. Zij moeten nog twee jaar wachten voordat ze eigenlijk kunnen gaan werken op hun niveau.
Maar ook de zogenaamde zwakke leerling wordt hier tekort gedaan want deze leerling is meer gebaat bij een andere vorm van lesstofaanbieding en dat is in een heterogeen gezelschap niet goed mogelijk.
Leerlingen die goed kunnen leren door praktisch bezig te zijn pikken lesstof op een andere wijze op dan de gymnasiast.
Het zou veel socialer zijn wanneer er in Groningen een onderwijsaanbod zou komen dat rechtdoet aan de kwaliteiten van de verschillende leerlingen. Dus geen eenheidsworstenonderwijs.
De problemen op het VMBO vragen echter wel om een oplossing . Het is goed dat die discussie opgestart wordt.
Als dat de bedoeling is van dit juniorvoorstel dan is het een uitstekend initiatief.
Als bijdrage aan de discussie zou ik willen voorstellen om leerlingen van het VMBO en hun bijbehorende opvoeders een onderwijsprestatiecontract te laten tekenen. Daarin staan dan de plichten in van leerling en ouders t.a.v. het volgen van onderwijs. Onderwijs is een recht waar de maatschappij veel geld in stopt en daar mag je iets voor terug verwachten.
Dat er meer moet gebeuren om deze tak van onderwijs te verbeteren moge duidelijk zijn.
Prof Heertje sprak vorige week op de radio en zei daar dat hij hoopt dat er in Nederland snel gebroken zal worden met het onderwijsbeleid waar het land onder het bewind van de PvdA heeft geleden. Het onderwijs moet leerlingen weer aanspreken op hun kwaliteiten en hun inzet.
Een opmerkelijke opmerking van deze PvdA -prof ?
Ik weet het niet, maar ook in die partij kun je over zaken verschillend denken. Dat doe ik dus ook maar met mijn tweede kamer fractie wanneer het gaat om samen met CDA en VVD in een regering te willen zitten.
We leven in een verwarrende tijd.
De VVD doet iets aan de hypotheekrente, de SGP wilde wel regeringsverantwoordelijkheid, de minister-president zoekt steun bij zijn moeder, de PvdA kan zijn winst niet verzilveren en D66 is noch liberaal noch sociaal.
Waar moet dat heen?
Gelukkig is er nog de LPF als constante factor! Was niks, is niks en wordt niks.
Je zult maar op het juniorcollege zitten en dan mogen stemmen.
Cees van der Veur is D66 lid, werkzaam in het (speciaal voortgezet) onderwijs
Privatisering Hoger Onderwijs
Olivier Morot
Enige tijd geleden werd in Amerika een leerling van school gestuurd omdat hij 'de orde had verstoord en de groepsfoto had proberen te verpesten.' Zijn school stond ingeschreven voor de landelijke wedstrijd "Doe mee met Coca-Cola", met 10.000 dollar aan prijzengeld voor de middelbare school die met het beste plan kwam voor de distributie van Cola-kortingsbonnen. De leerling had op het moment van de foto uit protest zijn trui uitgetrokken en daarmee een T-shirt onthuld met een boodschap die niet door zijn schoolbestuur werd gewaardeerd. Op zijn shirt stond geen portret van Ben Laden of van een andere terrorist, maar een afbeelding van Pepsi-Cola.
Het mag duidelijk zijn dat iedereen in Nederland blij is dat dit soort taferelen in ons onderwijs ondenkbaar zijn. Maar ze blijven wel in het achterhoofd hangen wanneer er gediscussieerd wordt over de toenemende invloed van het bedrijfsleven op het onderwijs. Met name in het Hoger Onderwijs is de discussie afgelopen jaren over samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven op volle gang. Zo werd in April de privaatrechtelijke status van de universiteiten ter discussie gesteld.
Terwijl wij, studenten, in het hele land massaal demonstreerden tegen de bezuinigingen gingen onze collegevoorzitters één van de schisma's binnen de VSNU (de vereniging van universiteiten) via de kranten bespreken. Nijs lachte zich kapot. Wat een pijnlijke timing. Maar nu ze het er toch over hebben, kunnen studenten dan ook maar beter een mening hebben.
Opvallend in deze discussie is dat iedereen (overheid en universiteiten) hetzelfde wil (meer decentralisatie en meer autonomie van de universiteiten) en dat alle universiteiten hetzelfde doen (meer aansluiting zoeken met het bedrijfsleven). Feitelijk bieden de universiteiten al lang geen publiekelijke diensten meer, maar semi-publiekelijke diensten. Universiteiten hebben zelfs al een eigen CAO. Vaarwel ambtelijke status! Daarnaast zijn de universiteiten bezig met het ontwikkelen van eigen personeelsinstrumenten, waarmee ze meer inzicht willen krijgen in de inhoud en de salarissen van de verschillende functies. De volgende stap zou logischerwijze zijn: het gelijktrekken van beloningsniveaus met de markt. En daar gaat het mis. Vergeleken met de markt betaalt de overheid teveel aan de basis en te weinig aan de top van de universiteiten. Dan vooral niet privatiseren, redeneert het personeel. Maar je kunt ook privatiseren zonder aan de salarissen te komen (voorbeeld: Vrije Universiteit). En weet het personeel wel dat de privaatrechtelijk status ook voordelen kan bieden? Zo loopt de WMO (Wet Medezeggenschap Onderwijs) nog steeds achter op de WOR (Wet op de Ondernemingsraden) en kunnen werknemersverzekeringen ook voordelen bieden op het gebied van sociale zekerheid, mits je goede CAO-onderhandelaars hebt.
Een andere vraag is: heeft privatisering gevolgen voor de samenwerking met bedrijven? De universiteiten kunnen dan wel minder rekening gaan houden met de knellende wetgeving en soepeler inspelen op de marktwensen. Gevaar hierbij, roepen sommige universiteiten, is dat er meer aandacht geschonken zal worden aan winstgevend contractonderzoek (onderzoek op korte termijn, vaak in samenwerking met een onderneming) in plaats van fundamenteel onderzoek (onderzoek dat heel lang duurt en dus niet aantrekkelijk is voor ondernemingen). Feit is dat diezelfde universiteiten dan meer autonoom zijn geworden en zelf de afweging kunnen maken. Omdat de overheid een bijdrage blijft leveren, is er altijd geld beschikbaar voor fundamenteel onderzoek en wordt de maatschappelijke functie van de universiteiten gewaarborgd. Belangrijk hierbij is dat de overheid de grotere afstand met de universiteit niet misbruikt om er minder geld in te stoppen.
Uiteindelijk gaan alle universiteiten dezelfde kant op, sommigen met meer enthousiasme dan anderen. Wel of niet privatisering is eigenlijk een schijndiscussie: het gaat om verzelfstandiging en hoe ver de universiteiten daarin willen gaan. De universiteiten werven buitenlandse studenten en overwegen om hoger onderwijs in Azië te bieden. De trend is gezet: de universiteiten verlaten het huis en gaan de wereld in. Moeder overheid moet ze wel blijven steunen.
Olivier Morot is lid van D66 en van de SOG-fractie in de Universiteitsraad
|