Nieuw reïntegratiebeleid: de keuzes van D66 De
nieuwe Wet Werk en Bijstand komt eraan. Gemeenten krijgen meer eigen
verantwoordelijkheid maar ook minder geld. Ondertussen loopt de
werkloosheid op en neemt het aantal bijstandsgerechtigden toe. Dat
betekent dat er moeilijke keuzes gemaakt moeten worden. D66 kiest voor:
jongeren aan het werk, fase 4 blijvend actief en een effectievere inzet
van ID-banen. Nergens
neemt de werkloosheid nergens zo snel toe als onder jongeren. Als we we
niets doen zakken werkloze jongeren bij een aanhoudend slecht
economisch tij afza naar fase 4. Jongeren hebben wat D66 betreft dan
ook voorrang bij het opdoen van werkervaring en het toeleiden naar
werk. Ervaring opdoen is zo belangrijk dat daar best enige dwang achter
mag zitten. D66 signaleert tevens dat er een groep jongeren is die nu
al langer dan een half jaar thuiszit. Veel van deze jongeren zijn niet
bekend bij de sociale dienst omdat ze nog thuis wonen en geen uitkering
aanvragen. Als we er niet in slagen om deze jongeren te bereiken, wordt
dit een nieuwe probleemgroep. Naast
een stevige aanpak voor jongeren, kiest D66 voor het actief houden van
mensen in fase 4. Van D66 hoeft niet iedereen op een traject richting
werk. Dat werk is er op dit moment toch niet en voor deze groep is
niets zo frustrerend als weer een vooropgesteld doel niet bereiken. Het
belangrijkste is zorgen dat hun afstand tot de arbeidsmarkt niet verder
vergroot. Actief blijven dus. Als de economie aantrekt, maken zij
immers wel weer kans op een baan. In dit kader wil ik ook een opmerking
maken over Stiel. Stiel was ooit een welzijnsinstelling die gericht was
op sociale activering. Drie jaar geleden heeft de raad ermee ingestemd
om sociale activering voortaan te bekostigen via het
reïntegratiebudget: op voorwaarde dat er geen uitstroomdoelstellingen
aan werden verbonden. Dat laatste is helaas wel gebeurd. Projecten
gericht op de moeilijkste groep werklozen worden afgewezen omdat het
uitstroompercentage onvoldoende hoog is. D66 verzet zich hier ernstig
tegen en wijst op het belang van sociale activering, ook wanneer dit
niet direct leidt tot werk. Gesubsidieerd
werk wordt op dit moment ingezet voor meerdere doelen en dat komt het
rendement niet ten goede. De mogelijkheid om lokaal reïntegratiebeleid
te maken moeten we dan ook aangrijpen om maatschappelijk nut en
reïntegratie weer van elkaar te scheiden. Maatschappelijk zeer nuttige
banen met helaas maar weinig perspectief op regulier werk zijn
uitermate geschikt voor mensen die daar op dit moment ook nog helemaal
niet aan toe zijn. Uitstroom staat hier niet centraal, sociale
activering en werkervaring wel. ID-banen
moeten alleen nog daar worden ingezet waar een redelijk perspectief is
op een reguliere baan. Om werkgevers te motiveren de ID-werknemer
tenslotte in dienst te nemen, zijn volgens D66 twee dingen
noodzakelijk: 1. Een geleidelijkere afbouw van subsidie dan nu het
geval is, 2. Strengere afspraken over begeleiding en scholing. D66
stelt voor dat werknemer en werkgever met elkaar een contract
opstellen. Daarin staan de vaardigheden die de werknemer nu bezit en
welke hij uiteindelijk moet hebben. Een plan van aanpak beschrijft stap
voor stap hoe en binnen welke termijn de werknemer zich die nieuwe
vaardigheden eigen maakt. D66 vindt dat reïntegratiebedrijven de
werkgever een deel van de begeleiding en scholing uit handen kunnen
nemen. De sociale dienst daarentegen moet veel meer de regie uit handen
durven geven. Minder rompslomp en een realistische beloning zullen het
imago van de ID-banen verbeteren en daar heeft zowel de werkgever als
de werknemer baat bij. Lotte Bruins Slot, lid raadscommissie Werk & Inkomen voor D66 |